Wat volgt is niet wetenschappelijk, verre van. Ik ben slechts toerist in de wetenschap en vooral in m'n eigen hoofd.
Het eigen hoofd is de mooiste reisbestemming denkbaar. Je weet er een beetje de weg maar toch kun je er uren verwonderd ronddwalen. Hé, dat is grappig. Goh, doen ze dat hier zo.
Bij dit toerisme heb ik me laten leiden door een minuscuul theorietje. We denken van onszelf dat we rationeel handelen, maar in werkelijkheid is ons gedrag grotendeels intuïtief. Voor dat gedrag verzinnen we achteraf een rationele verklaring - vervolgens wordt die volgorde ergens in ons hoofd omgedraaid en verkeren we in de waan dat we rationeel gehandeld hebben.
Zo raar is het niet dat dit gebeurt. De wereld is een chaos, en onze hersenen proberen daar chocola van te maken. Dat is niet iets wat je die hersenen moet verwijten, daar zijn ze - onder andere - voor bedoeld. Hersenen moeten die enorme chaos drastisch versimpelen en er structuur in aanbrengen, anders worden we stapelgek. Maar bij dat versimpelen en structureren willen onze hersenen de werkelijkheid wel eens verdraaien, sterker, spiegelen ze "ons" soms leugens voor. Het erge is: we geloven die leugens, en bouwen op de leugens enorme constructies van onzin.
Nu ga ik doen wat ik die hersenen verwijt. Dus die enorme rijstebrijberg van feiten en theorieën in de psychologie en aanverwante terreinen drastisch versimpelen en structureren tot leugens en daarop weer een bouwwerk van onzin optrekken.
Waarom doe ik dat? Om voor vrouw en vrienden samen te vatten wat ik aan reisgidsen over het eigen hoofd aan het lezen ben.
Psychologie: wetenschap zonder theorie
Als je meer wilt weten van je eigen hoofd, denk je meteen aan de psychologie en als je achttien bent aan Freud. Dus kocht ik daar op m'n twintigste een boek van, las her en der een stukje en dacht: het zal wel, maar ik geloof er niks van. Dertig jaar later ging ik als recreatief student naar de universiteit, de tempel van de wetenschap. Maar na wat ochtenden in de collegebanken en een paar officiële studieboeken, dacht ik: die hele psychologie is een rommeltje.
Lees het boek Social Psychology (verplichte literatuur) van voor naar achter en je weet niks. Nou ja, je weet een brij van feitjes en weetjes waarmee je een paar verjaardagen vooruit kan - de leukste zijn de attributietheorie en de cognitieve dissonantie. Maar je weet niks dat je eigenlijk niet al wist of dacht te weten. Wat vooral zo teleur stelt, is dat je geen enkel inzicht rijker bent geworden. Met andere psychologieboeken is het net zo: af en toe interessante feiten en weetjes, maar nauwelijks inzicht.
Jaren geleden stonden er in de Volkskrant op zaterdag stukjes van Piet Vroon zaliger over van alles, maar voornamelijk over psychologie. Als de zaterdagkrant binnen was, bladerde ik het eerst naar zo'n stukje. "Mensen doen niet wat ze zeggen, en ze zeggen niet wat ze denken" was een uitspraak die mij intrigeerde (en Pim Fortuyn later ook). Die stukjes gingen ook over feitjes en weetjes, maar af en toe schemerde er iets van inzicht. Door Vroon begon ik meer te lezen, eerst vooral van Vroon. In "De Tranen van de krokodil" - nog steeds van harte aanbevolen - werd de psychologie benaderd vanuit de opbouw van de hersenen. Er is, heel grof samengevat, een stukje dat we gemeen hebben met de reptielen, daarboven op zit een stukje dat de zoogdieren ook hebben en daar weer omheen zit een stuk dat – in die omvang – alleen mensen hebben. Onze emoties komen vooral uit de primitieve stukjes, het rationele denken doen we met die schors daaromheen.
Na Vroon kwam een plankje populaire wetenschap en daarna volgden de studieboeken. Toen bleek mijn idee van wetenschap niet te kloppen. Ik dacht: er zijn in een tak van wetenschap een paar centrale en liefst met elkaar samenhangende theorieën, waarmee het meeste kan worden verklaard en als ze iets vinden dat niet met de theorie klopt, stellen ze de theorie bij of gooien 'm in z'n geheel overboord.
In de psychologie blijken er vijf centrale theorieën te zijn, die weinig of niets met elkaar te maken hebben, en waarvan sommige nooit worden bijgesteld omdat het geen echte theorieën zijn, maar stromingen en soms zelfs geloven.
Attributietheorie. Attribueren is zeg maar toeschrijven. Je kunt iemands gedrag in grote lijnen toeschrijven aan twee zaken: aan z'n persoonlijkheid of aan de omstandigheden. Nu de leuke Algemene Attributiefout: in het algemeen schrijven we ons eigen gedrag vooral toe aan de omstandigheden en iemand anders z'n gedrag aan z'n persoonlijkheid. Waarom koopt Daniëlle een nieuwe tas? Daniëlle zelf zegt: ik had geen geschikte tas voor m'n nieuwe werk, en bovendien was deze enorm afgeprijsd. De omstanders zeggen: Daniëlle heeft een tassentic.
De vijf geloven
Een behoorlijk oud geloof is de psychoanalytische stroming van, inderdaad, de oude Sigmund F., her en der ook bekend als de Weense kwakzalver omdat hij er niet mee zat om patiënten en hun verhalen gewoon te verzinnen. Volgens Freud worden we geregeerd door het onderbewuste en vooral door geslachtsdrift. Daarom kun je als jongeman ineens zin krijgen je vader te vermoorden en met je moeder naar bed gaan.
Iets jonger maar toch ook behoorlijk oud is het behaviorisme, dat alleen kijkt naar gedrag. Heilig uitgangspunt is dat het denken gebeurt in een "black box" waar je niks verstandigs over kunt zeggen. Behavioristen zijn daarom gek op ratten en duiven, hoewel voorloper Pavlov het meer had op kwijlende honden. Met al die beestjes kun je namelijk heel goed bewijzen dat gedrag niet veel meer is dan een reactie op een stimulus. Zo begin ik te kwijlen bij sommige nieuwslezeressen.
Als reactie daarop kwam de cognitieve stroming die vind dat je wel in de zwarte doos moet kijken, maar dan wat verstandelijker dan Freud. Anders sluit je allerlei dingen uit waarvan elk mens weet dat ze bestaan: waarnemen, interpreteren, redeneren, onthouden, beslissen. Dus mogen er ook proefjes met mensen gebeuren ("Ik liet u vorige week een aantal plaatjes van nieuwslezeressen zien. Nu heb ik hier weer een stapeltje. Kunt u aangeven welke u vorige week al gezien heeft ...").
In de biologische stroming wordt de zwarte doos echt opengemaakt, en probeert men uit te vinden wat die ongeveer 100 miljard hersencellen (neuronen) eigenlijk doen. Dus kijkt men bijvoorbeeld naar mensen met hersenbeschadigingen om uit te vinden hoe die hersenen georganiseerd zijn: welke functie zit waar? Raar geval: bij schade in de rechterhelft eet je alleen de rechterhelft van je bord leeg. De stroming komt vooral uit Amerika, waar ze dan ook neuroscientists hebben. Het is, voor een leek als ik, de stroming die het meest op "wetenschap" lijkt.
De vijfde stroming is de evolutionaire psychologie. Die zegt: er zitten in ons denken en handelen allerlei mechanismen, die we hebben geërfd van onze ouders, zoals dat ook gebeurt met kortbenigheid, oogkleur of talent voor voetballen. En als die psychologische mechanismen erfelijk zijn, zijn ze ook onderhevig aan evolutie. Wat nut heeft blijft en ontwikkelt zich misschien verder, wat nutteloos is verdwijnt.
Wie meer wil weten, leest verder of komt het studieboek lenen. Waarschuwing: de meeste mensen die aan de psychologie beginnen, zijn - vertel mij wat - nieuwsgierig naar hoe jij verschilt van iedereen. Gaandeweg krijg je in de gaten dat de wetenschap vooral benieuwd is naar wat iedereen met elkaar gemeen heeft. Voor de geïnteresseerden komt er misschien ook nog een stukje over de vakken in de psychologie.
Groots zijspoor: de evolutietheorie
Mijn vader - hij is dood maar ik heb hem niet vermoord; ik heb wel met mijn moeder in bed gelegen maar dat was tijdens een touringcarvakantie - mijn vader, en ik denk elke vader, zei in Artis graag dat die ene aap nog een verre oom van hem is... kijk maar, hij lijkt. Want mensen stammen af van de apen.
Karel van het Reve heeft ergens geschreven dat er een paar weetjes zijn waarmee je in gezelschap kunt laten zien dat je niet van de straat bent. Marx heeft niet gezegd dat godsdienst de opium voor het volk is, maar de opium van het volk. Darwin heeft niet beweerd dat we van de apen afstammen, maar dat aap en mens een gemeenschappelijke voorouder hadden. Ik ben wel van de straat, maar die gemeenschappelijke voorouder wist ik, al hield het daar qua evolutietheorie wel mee op..
Door dezelfde Van het Reve heb ik jaren lang grote en leuke twijfels gehad aan dat evolutie-idee. Zijn leukste bezwaar, hij had er meer, was dat de theorie altijd klopt: is een vogeltje bont gekleurd, dan is dat omdat hij het dan beter doet bij de vrouwtjesvogeltjes. Is een vogeltje saai bruin, dan is het schutkleur. Kop of munt, altijd prijs en dus geen mooie theorie.
Volgens mij komen veel bezwaren tegen de evolutietheorie voort uit de kreten waarmee die wordt aangeprezen: "survival of the fittest" en "natuurlijke selectie".
Fit is niet fit
Die survival of the fittest zat mij niet lekker. Je gaat bijna denken dat elk beestje en plantje wat nu leeft het fitste, zeg maar best mogelijke is. Kijk om je heen (en naar mij) en je weet dat die fittest niet klopt. Sommige beestjes zijn, met alle respect, slecht gelukt. Bij ons komt uit de kruipruimte wel eens zo'n moeilijk lopende spin met een klein lijf en heel lange poten tevoorschijn. Je denkt dan al gauw: er zijn betere spinnen uitgevonden... sneller, wendbaarder, mooiere webben spinnende. Waar blijf je nou met je "fittest"?
In de serieuze boeken staat daarom dat we niet moeten denken dat evolutie een proces is dat naar iets hogers streeft. Er komen mutaties (zeg maar gewoon foutjes bij het kopiëren van het erfelijk materiaal), en die zijn meestal verslechteringen en maar heel zelden verbeteringen. Wij mensen moeten vooral niet denken dat we een soort eindpunt van de evolutie zijn. En om te beginnen had ik dat fittest eens goed moeten vertalen, want dat betekent gewoon: het best aangepast. Preciezer: het best aangepast aan de specifieke leefomgeving van deze specifieke soort. Elk dier heeft z'n eigen hoekje (niche) waarin het goed gedijt, en die slecht gelukte spin heeft als niche dus kruipruimtes.
Natuurlijke (en andere) selectie
Stel er is groep gele beestjes en opeens wordt één van die beestjes geboren met een rood vlekje. Mutatie! Als dat rode vlekje van pas komt, om je te verbergen voor een rover of om die juist af te schrikken, dan zal dat beestje betere kansen hebben om zich voort te planten. En omdat het rode vlekje erfelijk is, zullen er méér gele beestjes met rode vlekjes komen, die allemaal betere kansen hebben dan egaal gele beestjes, dus op den duur winnen de rode vlekjes het. Dat is nou natuurlijke selectie.
Wat mij al een tijdje tegenstond in dat natuurlijke geselecteer was dat elk vlekje, stippeltje, veertje of bobbeltje een "natuurlijk" nut moest hebben. Kijk in een willekeurige onderwaterfilm naar al die visjes met die bonte kleuren en rare uitsteeksels, en je gelooft niet dat elk krankzinnig detail zich in de evolutie bewezen heeft als een verbetering.
Eerst een nuancering en dan een redding. Nuancering: de rol van die mutaties schijn je niet te moeten overschatten. De evolutie leeft voornamelijk van de variatie die er toch al bestaat tussen individuen van één soort Denk even aan blond en bruin. Voor de uitvinding van de zonnebrand was het misschien niet zo handig om blond te zijn, want dan was je ook bleek. Dus leidde blond een kwijnend bestaan. Maar als de omstandigheden veranderen (de mens vestigt zich in minder zonnige streken), of als er een niche komt waarin het wel handig is om blond te zijn (zeg: de P.C. Hooftstraat), dan neemt blond weer toe.
Dan de redding: die komt van de oude Darwin zelf die - weliswaar later - uitvond dat er behalve natuurlijke selectie nog iets aan de hand was: sexuele selectie! (Overigens weiger ik sexueel met ks te schrijven. Dwarsigheid.) Het beroemdste voorbeeld daarvan is de pauwenstaart. Nergens voor nodig, sterker, die enorme staart met die prachtige ogen zit die pauw meestal alleen maar in de weg. Maar pauwenvrouwen vinden die staarten prachtig, schijnt. Ooit moet dat - mutatie of variatie - met een piepklein staartje begonnen zijn. Daar waren de vrouwtjes kennelijk van onder de indruk, en terecht, volgens een latere theorie. Als zo'n mannetje zich zo'n extra, "onnuttig" ornament kan permitteren, moet het wel een heel gezond ventje wezen. Dus zorgt die ook voor nakomelingen die beter overleven en zich ook weer beter voortplanten. Nu even doordenken: bij jongenspauwen is dat staartje erfelijk, en bij meisjespauwen die voorkeur voor staartjes. En zo komt er een merkwaardige draaikolk op gang: runaway selection, en daardoor kunnen de vreemdste ornamenten ontstaan.
Nog veel verder doorgedacht wordt er in The Mating Mind, waarin wordt beweerd dat ons eigen hoofd het mooiste voorbeeld van die runaway selection is. Dat vind een toerist als ik uiteraard razend interessant: het menselijk brein als pauwenstaart. Kom ik uiteraard op terug.
Aanmatigende conclusie
Ome Karel en ik blijken niet de enige die moeite hebben met de evolutietheorie. Maar de hele geleerde wereld is er, op een enkele zonderling na, wel van overtuigd dat het een briljante want zeer ware theorie is. Het is de basis van de biologie. Maar er wordt nog wel steeds gediscussieerd over de interpretatie en de consequenties. Mij gaat die zee veel te hoog, maar met zo veel onenigheid is het vast niet erg als ik ook nog een ongeleerd duitje in de zak doe.
De Zaanse variant op Darwin, voor het eerst geopperd onder een boom in Lissabon, is: alles klopt, maar die Survival of the Fittest kunnen we misschien beter vervangen door Extinction of the Unfittest. Er zijn mutaties, er is variatie, beide zijn onderwerp van natuurlijke selectie, maar dat moeten we niet tot in het uiterste doordrijven. Er zal toch ook wel eens een vlekje optreden dat niet meteen nut heeft, maar ook niet in de weg zit.
Bovendien moeten we dus niet de sexuele selectie vergeten, want die - bijzonder onwetenschappelijke opmerking - geeft mogelijk een verklaring voor de onverklaarbare vlekjes, uitsteeksels en gedragingen.
De uiteindelijke en misschien ontnuchterende conclusie is: het gaat in de natuur alleen om overleven en voortplanten. En verder: wantrouw iedereen die het heeft over "het voortbestaan van de soort". Kom ik misschien nog op terug, zoniet: lees de The Selfish Gene.
Een mens is ook maar een dier
Misschien een leuk tv-spelletje voor doktoren, dacht ik. Ze krijgen een operatietafel te zien, met daaroverheen zo'n groen zeiltje en daaronder de contouren van een patiënt. Zoals bij elke operatie is er in het zeiltje en de patiënt een rechthoekje open en daarin kijken we meteen diep in het binnenwerk van de patiënt. Vraag aan team A: is dit een mens of een chimpansee? U heeft 5 seconden.
Dit legden wij dus voor aan dierendokter Jack en dat spelletje wordt niks. Want, zei Jack die van AAP is en het dus kan weten, chimpansees zien er van binnen nogal anders uit dan de mens, al was het alleen al omdat er veel meer bindweefselverklevingen te zien zijn. Ook zitten de ingewanden meer opgevouwen.
Dom. Hadden we moeten weten. Een chimpansee moet wel andere ingewanden hebben, want die eet maar één of twee keer per maand vlees, en wij zijn ingericht op woensdag gehaktdag en zondags een mooi stukje vlees (wij adviseren rosbief volgens de methode Bouts). Weer even een zijspoor: dat die leuke chimpansees ook vlees en dan vooral vlees van andere - soms heel aandoenlijke - apen eten, is iets dat je pas de laatste jaren ziet in natuurfilms. Dat moet iets te maken hebben met het vernis op de Mona Lisa; daarover later.
Iedereen weet dat chimpansees behoorlijk verschillen van mensen (ze zijn ook zes keer zo sterk, zegt dokter Jack). Toch weet ook iedereen hoe het zit met het DNA van mens en chimpansee, de opgerolde sliertjes erfelijk materiaal die je tegenkomt als je aap of mens nog verder openpeutert. Dat DNA is - het staat bijna wekelijks in de krant - bij mens en chimpansee voor het overgrote deel hetzelfde. Het percentage dat je vaak leest is 98%. Wat je bijna nooit leest is dat het DNA van de mens voor 75% hetzelfde is als dat van een hond; dat is vastgesteld met een poedel. Het is trouwens nog veel erger: ons DNA is ook gedeeltelijk hetzelfde als dat van de fruitvlieg. Zelfs met de banaan hebben we minstens 25% gemeen.
Eigenlijk weten we dat ook wel. Bekijk die opgezette skeletten in een biologiemuseum en zelfs bij de dinosaurus zie je spaakbeen en ellepijp. Een fruitvlieg begint net als een mens als een bevruchte eicel. Een banaan bevat stoffen die wij ook in ons lichaam hebben.
De onvermijdelijke conclusie is: een mens is wat anders dan een chimpansee of een poedel of een banaan, maar een mens is ook maar gewoon een dier. Misschien moet je zelfs wel zeggen: de mens is méér dier dan enig ander dier.
Genadeloze erfelijkheid (die erfelijk is)
We staan over het wiegje gebogen en zeggen: "precies z'n vader". Dat komt natuurlijk ook omdat de kleine ook een mensje is en geen vogelbekdier. We denken graag dat het leven bij elke geboorte weer overnieuw begint, maar het begint - gelukkig of helaas - nooit bij nul. Een tijger baart nimmer een poes en een koe altijd een kalfje. Koeienfokkers weten dat al een tijdje en laten daarom miljoenen koeien bevruchten met het zaad van één stier. Ooit was dat de bekende Sunny Boy, die volgens ingewijden - en die vertelden het weer aan Hans van Rijs - eigenlijk alleen op jonge stiertjes viel.
De sluipwesp staat nooit over een wiegje gebogen want die ziet z'n eigen kinderen nimmer. De sluipwesp besluipt en verlamt een ander insect of insectenkind, graaft een hol in de grond, sleept de prooi erin en legt eitjes in de prooi. Als de eitjes uitkomen, eten de sluipwespjes de prooi op, en ontwikkelen zich daarna tot fijne volwassen sluipwespen. En dan herhalen ze dat hele ritueel... zonder dat hun ouders ze dat ooit hebben geleerd, laat staan dat die ooit een leuk geïllustreerd boekje met instructies hebben nagelaten.
Dat hele ritueel wordt kennelijk doorgegeven via het DNA, de Engelse afkorting voor desoxyribonucleïnezuur. Als je het DNA van een mens onder de microscoop legt (moet je wel een dure nemen), schijn je 23 paar sliertjes te zien, de chromosomen. En van elk paar chromosomen heb je er één gekregen via het ei van je moeder en één via de gelukkige zaadcel van je vader.
Merkwaardig verschil: die eicel werd bij je moeder al aangelegd toen ze zelf nog niet geboren was. Een vrouw moet het doen met een vooraf vastgesteld aantal eicellen (de getallen die ik heb gevonden lopen uiteen van 100.000 tot 4 miljoen). Daarvan worden er zo'n 400 met tussenpozen van ongeveer 4 weken tot rijping gebracht. De zaadcellen daarentegen worden elke dag opnieuw in vele miljoenen gemaakt. Dat die ei- en zaadcellen allemaal net iets ander DNA hebben, komt door het proces van meiose. Ooit ga ik dat kunnen uitleggen, maar het komt er op neer dat de genen een beetje door elkaar worden gehusseld bij de aanleg van de geslachtscellen (ei- en zaadcellen). Daardoor krijgt dus niemand krek hetzelfde DNA als een ander; met één uitzondering: de eeneiige tweeling.
Het "wonder van het leven" is dus een volgens zeggen vrij simpele chemische kwestie. Schitterend onderdeel van dat wonder is dat je - na veel tegenstribbelen - moet bekennen dat je op je vader en je moeder lijkt. Ooit dacht ik dat die gelijkenis alleen om uiterlijkheden ging: dezelfde (niet zo beste) ogen, flaporen en gebrekkige atletische vermogens. Maar gaandeweg moest ik toegeven dat er nog veel meer gelijkenissen zijn. Dezelfde neiging als m’n vader om te veel tijd aan m’n werk te besteden (en bij dat werk graag een sigaar te roken), hetzelfde talent als m’n moeder om eindeloos te twijfelen.
Tot een jaar of twintig geleden dacht iedereen dat dit soort dingen (werkdrift, sigaren roken, twijfelen) gewoon werden aangeleerd en afgekeken. Maar inmiddels is duidelijk dat er veel meer via het DNA wordt doorgegeven dan lichamelijkheden als slechte ogen en melkboerenhondenhaar. Er is zelfs een tak van wetenschap die gedragsgenetica heet, en die gek is op het drama van de eeneiige tweeling die in de vroege jeugd uit elkaar wordt gerukt. Bij dat soort tweelingen kun je heel goed uitvinden wat nu aangeleerd en aangeboren is. Eén merkwaardige bevinding: tweelingbroers die op jonge leeftijd waren gescheiden maar toen ze elkaar later tegenkwamen ontdekten dat ze allebei altijd achteruit de zee inliepen.
Wat ik hiervan leer is: er zijn dus veel meer dingen erfelijk dan ik ooit had gedacht. Natuurlijk niet dat sigaren roken, maar wel de aanleg voor verslaving. En als ruggelings de zee in gaan al ergens in je genen kan zitten, dan geldt dat natuurlijk helemaal voor algemeen menselijke eigenschappen. En dus zijn die eigenschappen ook onderhevig aan evolutionaire krachten: wat niet nuttig is voor overleving en voortplanting, sterft op den duur uit; wat zich wel als nuttig bewijst, wordt doorgegeven - sterker, daar wordt weer verder mee geëvolueerd.
Mooi voorbeeld: dat bij het wiegje wordt vastgesteld dat het kindje op z'n vader lijkt, zou wel eens zo'n doorgegeven mechanisme kunnen zijn. Immers, over de moeder bestaat altijd zekerheid ("materna semper certa est", weet ik van Sylvia), maar het vaderschap moeten we maar geloven; en enige twijfel is vaak terecht: volgens sommige bronnen is in Engelse ziekenhuizen vastgesteld dat meer dan 10% van de kinderen genetisch niet het nageslacht kan zijn van de man die over het wiegje staat gebogen. Dus is het evolutionair nuttig om te zeggen dat het kindje op z'n vader lijkt, want daardoor is de kans groter dat het kind een jeugd krijgt met een - doorgaans voor voedsel en bescherming zorgende - vader.
Onduidelijk is overigens hoe het precies werkt: is a. het kindje genetisch geprogrammeerd om op z'n vader te lijken, of zijn b. de omstanders genetisch geprogrammeerd om dat te zeggen, of is het, omdat alleen a. juist in de dubieuze gevallen niet werkt, misschien allebei waar?
Instincten en mensen
Ooit een kat gezien die, door het raam kijkend, een vogeltje in de tuin ziet? Helemaal op de automatische piloot gaat de poes door de knieën en maakt een geluidje dat je volgens de Poezenkrant "Ekk ekk ekk" schrijft. Poes zit voor gek. Maar ja, poezen zijn zich daar niet van bewust, die doen dat helemaal instinctief.
Mensen hebben wel een bewustzijn... mensen weten wat ze doen... wij denken voortdurend na bij wat we doen. Denken we. En dus denken we zelden na over onze eigen instincten. Maar er zijn theorieën die zeggen dat mensen zelfs méér instincten hebben dan enig ander dier. Alleen brengt dat woord "instincten" ons steeds in verwarring, want dat klinkt zo primitief. Dus breiden we het begrip instinct een beetje uit.
Een mens zit vol met honderden, zoniet duizenden instincten, vermogens, driften, neigingen, talenten, reflexen, automatismen... laten we het even systemen noemen. Een paar ongelijksoortige voorbeelden. We hebben het vermogen om uit de honderden mensen die in de Leidsestraat lopen ineens het gezicht te herkennen van iemand die we kennen. We hebben het talent om een ding (een steen, een speer, een bal) zo weg te gooien dat we daarmee iets raken. Mannen hebben de neiging om op jonge vrouwen te vallen. Vrouwen hebben de neiging om op mannen met status te vallen. We hebben een systeem dat ons ervan bewust maakt dat we moeten plassen. We houden van zoet en niet van bitter.We hebben een automatisme waardoor we een enorme weerzin hebben tegen voedsel waar we ooit - al is het maar één keer - ziek van zijn geworden. We hebben de neiging om ons tijdens de puberteit af te zetten tegen onze ouders. We hebben een systeem voor taal. Vrouwen hebben de neiging om vlak voor hun ongesteldheid aan het schoonmaken te slaan. We hebben - denk ik te hebben uitgevonden - zelfs een subsysteem voor schatting van iemands leeftijd aan de hand van z'n achterhoofd. We hebben de neiging om gegeneerd te raken als we twee keer hetzelfde vertellen. Geslachtsrijpe mannen en vrouwen hebben de neiging elkaar op te zoeken - liefst bij de drinkplaatsen. We hebben de drift om vooral te letten op wat verandert, en niet op wat hetzelfde blijft.
Iedereen heeft al die systemen. Maar bij de een zijn ze net iets beter of slechter aangelegd of ontwikkeld dan bij de ander. Daarover weer een zijspoor: karakter. Mijn uneducated guess is dat we voor 99,1 % hetzelfde zijn. En dat we die 0,9 % verschil dan karakter of persoonlijkheid noemen. Dat zijspoor wordt ooit verder uitgewerkt.
Belangrijker is: al die systeempjes zijn voortdurend paraat en zodra ze nodig zijn worden ze actief. Marvin Minsky noemde dat het Parlement van de Geest. We zijn ons er lang niet altijd van bewust dat zo'n systeem actief is. Als het al gebeurt is dat waarschijnlijk omdat er een afwijking van het gewone wordt waargenomen. Een beetje zoals jeuk of pijn zich voordoen in het bewustzijn. Bij jeuk ga je min of meer automatisch krabben, pas enige tienden van seconden later word je je er bewust van ("you find yourself krabbende"). Bij pijn is dat nog duidelijker. Je hoeft nooit bewust te denken: "O, m'n hand doet zeer, ik denk dat het komt omdat ik hem tegen de hete kachel houd, laat ik m'n hand daar maar eens weghalen". Die hand haal je weg voordat je er erg in hebt, pas daarna word je je ervan bewust wat er - no pun intended - aan de hand is.
Het probleem - en misschien: de zegen - is dat je je van de meeste instincten (neigingen, systemen, enz.) helemaal nooit bewust bent. Gemakkelijk voorbeeld: we hebben het talent om op twee benen te lopen. Nou ja, we moeten dat wel even leren en dat duurt een jaar of langer. Zodra we het eenmaal kunnen, hebben we nooit meer bewust toegang tot hoe we dat nou precies doen.
Op een paar psychonerds na denkt geen man ooit: "wat een fijne waist-hip ratio heeft die mevrouw, dat zou wel eens op grote vruchtbaarheid kunnen duiden". Mannen denken (als we in zo'n geval al denken): "lekker ding...".
Hersenchirurgie voor beginners
Hersenchirurgie is niet ingewikkeld. Het gaat bijvoorbeeld heel aardig met een ice-pick, een vrij simpele priem. Dat is uitgevonden - en op grote schaal gepraktiseerd - door een zekere Walter Friedman, die rond 1945 ice-pick lobotomy een goede methode vond om mensen van allerlei hersenstoornissen af te helpen. Hij timmerde de priem zachtjes bij het oog door de traanbuis en woelde dan wat rond. De meeste patiënten overleefden dat, maar veranderden daarna in zombies.
Het rare is hersenbeschadigingen jarenlang de enige aanwijzingen waren voor wat er ongeveer waar in de hersenen gebeurt.
Sinds de jaren zeventig weet iedereen dat je een linker en een rechter hersenhelft hebt. In grote lijnen las je toen niet meer dan dat je linker hersenhelft de rationele helft is, en de rechterhelft meer de "artistieke", want ruimtelijke, muzikale helft. Van die linkerhelft was ook een goed bewijs: daar zitten de taalcentra, de gebieden van Broca en Wernicke.
Handig om te weten is overigens dat alles gekruist zit: het linkerdeel van je lichaam wordt bestuurd door je rechterhersenhelft, en vice versa. Volgens Vroon moet je je rechterhelft kunnen stimuleren door alleen door je linkerneusgat te ademen. Er zal voor dat kruiselingse ongetwijfeld een goede - evolutionaire - reden zijn, maar die ben ik nog niet tegenkomen (ligt aan mij).
Een merkwaardig gevolg is bijvoorbeeld neglect. Er zijn mensen bij wie de rechterhersenhelft zo beschadigd is dat ze de linkerhelft van hun bord eten onaangeroerd laten. Hun ogen "zien" het wel, want daar is niets mis mee, maar het dringt niet tot ze door. Draai je het bord een halve slag, dan eten ze weer lekker verder.
Die beschadigingen komen doorgaans door wat populair een beroerte heet: bloedingen of propjes in de aderen, waardoor een deel van de hersenen geen zuurstof meer krijgt en het niet meer doet. Maar er zijn ook andere onaangename aandoeningen: soms aangeboren, soms later opgelopen door ongelukken, oorlogswonden, ziekten of operaties. Allemaal bijzonder pijnlijk - hoewel de hersenen zelf trouwens ongevoelig zijn - maar wel goed voor de wetenschap want die leert daardoor welke hersendelen betrokken zijn bij welke "systemen". Dat is een beetje voorzichtig gezegd, maar zo langzamerhand wordt duidelijk dat nogal wat systemen niet aan één gebiedje zijn toe te wijzen maar dat er vaak meer hersendelen samenwerken.
Een paar fenomenen die het op verjaardagen goed doen: